Overslaan en naar de inhoud gaan
De bedoeling van de kaarten

Werkvormen voor Systemisch Werken met de Seizoenen

Deze kaartenset helpt om stil te staan bij wat speelt in jezelf, je werk of een team. De beelden en teksten openen het gesprek, maken patronen zichtbaar en geven taal aan wat onder de oppervlakte leeft. Niet het antwoord staat centraal. Maar datgene wat zichtbaar, voelbaar en bespreekbaar wordt.

De kaart vertelt niet wat er aan de hand is. De kaart helpt kijken naar wat mogelijk onzichtbaar is en naar wat zich aandient. De bedoeling van de kaarten is niet om snel een antwoord te vinden. Ze helpen om beweging te brengen, patronen zichtbaar te maken en de onderstroom te laten spreken. Niet iedere situatie hoeft onmiddellijk in één seizoen te worden ondergebracht. De seizoenen zijn een lens. Ze helpen je kijken naar ritme, timing en beweging. De kunst is niet om steeds vooruit te bewegen, maar om te herkennen wat nu aan de orde is – en wat niet.

Scroll op deze pagina direct naar…

Deze kaartset is mede geïnspireerd de wijsheid van Jaap Voigt, die ik opdeed tijdens de vele lessen die ik bij hem volgde en in zijn boek ‘Leven en werken in het ritme van de seizoenen’.

Je kunt op verschillende lagen werken

De seizoenen

De vier seizoenen laten verschillende bewegingen zien. Niet iedere fase vraagt hetzelfde. Soms is het tijd om naar buiten te bewegen, soms om tot volheid te komen, soms om terug te nemen en soms juist om niets te doen.
Lente: verbonden met het oosten/ kleur groen
Ontstaan, groeien en de eerste beweging. Iets nieuws dient zich aan. De energie keert terug en zoekt een eerste vorm.
Zomer: verbonden met het zuiden/ kleur oranje

Tot volle wasdom komen, rijpen en zichtbaar worden. Wat in de lente ontstond, krijgt vorm en wordt volledig zichtbaar. Het gaat niet langer om groter worden, maar om voller, helderder en duidelijker worden.

Herfst: verbonden met het westen/ kleur klei

Oogsten, onderscheiden en loslaten. De beweging keert naar binnen. Wat heeft vrucht gedragen? Wat verdient erkenning? Wat kan worden meenomen en waar kun je je aan onthechten, loslaten?

Winter: verbonden met het noorden/ kleur blauw

Verstillen, naar binnen keren en ontvankelijk worden. De beweging komt tot rust. Tijd om af te ronden, afscheid nemen, rusten. Niet-weten en stilte krijgen ruimte. Niet om niets te doen, maar om ontvankelijk te worden voor wat zich later opnieuw kan aandienen.

Een belangrijke vraag bij het werken met de kaarten is daarom steeds: welke beweging is nu aan de orde – en welke nog niet?

Levensfasen

De seizoenen kunnen ook als symbolische lens worden gebruikt om naar verschillende levensfasen te kijken. Bijvoorbeeld:

  • 0 – 21 jaar lentefase in je leven
  • 21 – 42 jaar zomerfase in je leven
  • 42 – 63 jaar herfstfase in je leven
  • 63+ jaar winterfase in je leven
Deze leeftijdfasen zijn geen vaste systemische wetmatigheid. Gebruik ze als uitnodiging om terug te kijken naar verschillende periodes in een leven en te onderzoeken welke seizoensbeweging daarin herkenbaar is.

Systemische principes

De kaarten raken steeds één of meerdere systemische principes.
  • Ordening
  • Plek/binding
  • Balans tussen geven en nemen
  • Bestemming

Gebruik deze principes niet als diagnose, maar als ‘lens’: een manier van kijken en als mogelijke ingang voor verder onderzoek.

Luister niet alleen naar woorden

Let tijdens het werken met de kaarten ook op:

  • Stilte
  • Emoties
  • Lichamelijke reacties
  • Energie
  • Weerstand
  • Onverwachte inzichten

Vraag bijvoorbeeld:

  • Wat merk je terwijl je hiernaar kijkt?
  • Verandert er iets in je lichaam?
  • Waar gaat je aandacht als vanzelf naar toe?
In systemisch werk ontstaat een antwoord soms eerder in het lichaam dan in woorden.

Zeven systemische vragen

Gebruik deze vragen als mogelijke verdieping. Je hoeft ze niet allemaal te stellen. Volg wat zich aandient.

  • 1
    Wat raakt jou als eerste?
    Kijk eerst naar het beeld of lees de tekst. Waar gaat je aandacht als vanzelf naartoe?
  • 2
    Wat wordt zichtbaar dat je eerder niet zag?
    Welke beweging, welk patroon of welk inzicht dient zich aan?
  • 3
    Waar raakt dit aan?
    Blijf nog even bij het eerste antwoord. Wat ligt er onder de oppervlakte? Waar herken je deze beweging? Is dit bekend of juist nieuw?
  • 4
    Welke plek neem jij in?
    Waar sta je ten opzichte van het vraagstuk? Herken je dit, en zo ja waarvan? Is dat ook de plek die nu bij jou past? Kun je daar vrij staan en bewegen?
  • 5
    Wat is van jou – en wat mogelijk niet?
    Wat hoort werkelijk bij jou? Is er iets wat je bent gaan dragen of doen dat mogelijk bij iemand anders hoort?
  • 6
    Wat vraagt erkenning?
    Wie of wat is nog onvoldoende gezien? Soms ontstaat beweging pas wanneer iemand, iets of een gebeurtenis erkenning en een plek krijgt.
  • 7
    Welke kleine beweging past bij dit moment?
    Niet de grootste stap. Maar de eerstvolgende beweging die past bij waar je nu bent.

Werkvormen voor individuele coaching

1. Verleden – heden – toekomst

Laat de coachee drie kaarten trekken (of kiezen) en achter elkaar neerleggen.
  • Kaart 1: verleden
    Wat heeft je hier gebracht?
  • Kaart 2: heden
    Waar sta je nu?
  • Kaart 3: toekomst
    Wat komt in beeld wanneer je naar voren kijkt?

Laat eerst de beelden spreken en lees daarna pas de teksten. Onderzoek vervolgens:

  • Wat valt je op aan de drie kaarten samen?
  • Waar zit beweging?
  • Waar stokt iets?
  • Welke kaart trekt het meeste je aandacht?
  • Welke seizoenen zie je terug?
  • Past die beweging bij waar je nu bent?
Verdiep waar passend met de zeven systemische vragen.

2. De seizoensscan

Laat de coachee vanuit een concrete vraag een kaart kiezen of blind trekken. Onderzoek: in welk seizoen bevindt jouw vraagstuk zich? En vervolgens:
  • Wat kenmerkt dit seizoen voor jou?
  • Welke beweging past daarbij?
  • Wat vraagt dit seizoen van jou?
  • Wat probeer je misschien te doen terwijl het daar nog niet de tijd voor is?
  • Wat hoeft juist niet?
  • Aan wie of wat ben je loyaal in deze situatie?
  • Kun je verbonden blijven en toch je eigen beweging maken?
Sluit af met: welke kleine beweging is nu aan de orde?

3. Loopbaan of levensreis

Gebruik de vier levensfasen als symbolische levenslijn. Laat jouw coachee een kaart intuïtief kiezen voor:
  • De school- en studieperiode tot ongeveer 21 jaar
  • Levens- en loopbaanstappen tussen ongeveer 21 en 42 jaar
  • Levens- en loopbaanstappen tussen ongeveer 42 en 63 jaar
  • De periode vanaf ongeveer 63 jaar
Laat de kaarten in een vierkant leggen of op een lijn. Kijk eerst zonder de teksten te lezen. Vraag:
  • Wat valt je op?
  • Waar zit veel energie?
  • Waar weinig?
  • Wat voel je in je lijf?
  • Welke kaart trekt je meeste aandacht, welke het minste?
  • Welke seizoensbeweging herken je in iedere periode?
Lees daarna de teksten en onderzoek vervolgens: aan wie of wat ben je loyaal geweest in deze levensfasen? Wat daarvan wil je meenemen, waar wil je je aan onthechten? En waar vraagt jouw eigen beweging nu om?

4. Systemische verdieping

Laat de coachee één kaart trekken of kiezen.

Laat eerst het beeld binnenkomen.

Lees daarna de tekst.

Gebruik vervolgens de zeven systemische vragen.

Niet de uitleg van de kaart is belangrijk, maar wat er door de kaart zichtbaar en bespreekbaar wordt.

Werkvormen voor teamcoaching en opleidingen

Gebruik de kaarten bij teams als ingang voor waarneming en dialoog, niet als diagnose.

Een kaart vertelt niet hoe het team is en tegen vraagstukken aankijkt. De kaart kan wel iets zichtbaar maken dat aanleiding geeft tot een betekenisvol gesprek.

1. Teamdialoog

Bepaal samen eerst het vraagstuk waar jullie naar willen kijken, wat is de onderzoeksvraag? Iedereen kiest intuïtief één kaart.  Geef eerst individuele kijktijd. Laat iedereen daarna kort vertellen:

  • Wat je ziet
  • Wat je voelt of merkt
  • Wat je raakt
  • Wat zegt deze kaart voor jou over jezelf en ons team
Leg vervolgens alle kaarten bij elkaar. Onderzoek daarna gezamenlijk:
  • Wat valt op als we de kaarten samen bekijken?
  • Welke overeenkomsten zien we?
  • Welke verschillen?
  • Wat krijgt veel ruimte?
  • Wat zien we nauwelijks, of helemaal niet?
  • Waar herken je dit in de organisatie of onze klantgroep?
  • Wat vertelt dit mogelijk over wat er momenteel in ons team speelt of in onze organisatie?
Laat verschillen bestaan. Ze hoeven niet opgelost te worden.

2. Het team in de seizoenen

Onderzoek de fase waarin het team werkt. Laat ieder teamlid een kaart kiezen vanuit de vraag: in welk seizoen bevindt ons team zich volgens jou? Leg de kaarten per seizoen bij elkaar. Onderzoek:
  • Zitten we allemaal in hetzelfde seizoen?
  • Waar zitten verschillen?
  • Waar zit energie?
  • Waar stokt beweging?
  • Welke beweging is al gemaakt?
  • Welke beweging is misschien te vroeg?
  • Wat vraagt eerst erkenning voordat we verder kunnen?
  • Wat is voor dit team nu aan de orde, en wat nog niet?
  • Wat vraagt dat van het leiderschap, maar ook van ons lidmaatschap?
Juist het verschil tussen de gekozen seizoenen kan betekenisvolle informatie geven.

3. Systemisch landschap met kaarten

Gebruik deze werkvorm om de verschillende elementen rond een vraagstuk zichtbaar te maken. Bepaal eerst de onderzoeksvraag en welke elementen voor deze vraag dan relevant zijn, bijvoorbeeld:
  • Het team
  • De klant
  • Het management
  • Het vraagstuk
  • De toekomst
Geef ieder element eerst een neutrale positie in de ruimte, bijvoorbeeld met een blanco vel of voorwerp. Kijk vóórdat je een kaart toevoegt:
  • Wat staat dichtbij?
  • Wat staat ver weg?
  • Wat kijkt naar wat?
  • Wat ontbreekt?
  • Waar zit spanning of ruimte?
  • Welke positie trekt de aandacht?
Laat vervolgens, als verdieping, bij één of meerdere posities een seizoenskaart kiezen. Onderzoek:
  • Wat voegt het beeld toe?
  • Welke seizoensbeweging wordt zichtbaar?
  • Wat verandert er in de waarneming?
  • Welke kleine beweging zou passend kunnen zijn?
Verander niet te snel iets in de opstelling. Eerst waarnemen, dan pas onderzoeken of beweging nodig is.

4. Organisatieverandering

Gebruik deze werkvorm bij een team of organisatie die zich in een overgang bevindt. Laat voor iedere vraag intuïtief een kaart kiezen, door steeds een ander teamlid.
  1. Waar staan we nu?
    Welke kaart verbeeldt de huidige situatie?
  2. Waar komen we vandaan?
    Welke kaart verbeeldt onze oorsprong of datgene wat ons hier heeft gebracht?
  3. Welk patroon kennen we goed?
    Waar vallen we gemakkelijk in terug?
  4. Wat daarvan verdient erkenning?
    Wat heeft ons gediend? Wie of wat heeft bijgedragen aan waar we nu staan?
  5. Waar ligt onze loyaliteit?
    Aan wie of wat zijn we verbonden in deze verandering? En: kunnen we die verbinding erkennen en toch een nieuwe beweging maken?
  6. Wat nemen we mee, en wat niet?
    Wat behoort tot onze kracht en geschiedenis? En wat past niet meer bij de volgende fase?
  7. Wat dient zich aan?
    Welke kaart zegt iets over de beweging die mogelijk voor ons ligt?
Leg alle kaarten bij elkaar en kijk naar het geheel. Vraag ten slotte: in welk seizoen bevindt deze verandering zich? Welke beweging is nu aan de orde, en welke nog niet?

Werkvormen voor individueel gebruik

1. Weekkaart

Begin de week met één kaart. Leg hem zichtbaar neer. Laat de kaart meestromen tijdens de week. Kijk af en toe opnieuw.
  • Wat zie je nu?
  • Is er iets veranderd?
  • Waar herken je de kaart in je werk of leven?
  • Wat ontvouwt zich?
Je hoeft niets met de kaart te doen. Soms is waarnemen genoeg.

2. Dagreflectie

Kies aan het begin of einde van de dag een kaart. Vraag:
  • Welke kaart past vandaag?
  • Wat vraagt aandacht?
  • En eventueel: wat hoeft vandaag juist niet?

3. Jaarreflectie

Leg vier kaarten, voor de lente, zomer, herfst en winter. Leg ze in een cirkel. Kijk eerst alleen naar de beelden. Vraag:
  • Welke beweging zie je?
  • Welk seizoen krijgt veel ruimte?
  • Welk seizoen weinig?
  • Waar herken je expansie?
  • Waar contractie?
  • Waar stilte?
  • Welke overgang vraagt aandacht?
Lees daarna de teksten. Vraag tot slot: wat vertelt dit over jouw ritme en focus voor dit jaar?

4. Intuïtief kiezen

Stel jezelf geen vraag, trek gewoon één kaart. Kijk eerst naar het beeld. Laat daarna de tekst binnenkomen. En merk op wat er gebeurt, in je hoofd, in je lijf. Soms is dat genoeg.